Winston Tija | Unsplash

Frequent flying is goedkoper dan internationaal treinen. Alleen een krachtig reisbeleid kan dit doen kantelen.

Winston Tija | Unsplash

Zakenreizigers nemen steeds minder het vliegtuig en een groot deel van de Belgische werknemers is voorstander van een duurzaam reisbeleid. Maar wanneer puntje bij paaltje komt, doet het prijskaartje bedrijven toch kiezen voor vliegen in plaats van treinen. Dit toont een nieuwe casestudie van Universiteit Antwerpen. Alleen forse maatregelen door de overheid kunnen hier verandering in brengen.

Welke criteria bepalen of zakenreizigers de trein of het vliegtuig nemen? Welke vervoermiddelen zijn gangbaar voor welke bestemmingen, en wat is de impact van een reisbeleid? Met die vragen trok de Design Sciences Hub van Universiteit Antwerpen in een verkennend onderzoek naar enkele bedrijven. 

Een hoopgevende bevinding is dat de milieu-impact daadwerkelijk de keuze van bedrijven beïnvloedt. Maar het prijskaartje blijft toch nog het zwaarst doorwegen. Een van de ondervraagde bedrijven koos voor haar traject Brussel-Wenen stelselmatig voor het spoor in plaats van de luchthaven. De mogelijkheid om hier per Nightjet aan een concurrentieel tarief te reizen — tickets gaan al van de hand vanaf €30 — lijkt de beslissende factor te zijn. Tussen Brussel en Amsterdam, Parijs en Londen zijn eveneens aantrekkelijke hogesnelheidstreinverbindingen beschikbaar, die zelfs vaak korter uitvallen dan een vliegtuigtrip. Hier valt eveneens heel wat klimaatwinst te halen: een treinreis naar Parijs stoot 9 keer minder uit dan een vliegtuigtrip. Maar ondanks deze voordelen kiezen bedrijven voor dit traject veel vaker het vliegtuig.

De onderzoekers wijzen op het potentieel van een reisbeleid om tot duurzame vervoerskeuzes te komen. Zo heeft een van de bevraagde bedrijven een ondergrens van 750 km voor een vlucht ingevoerd. Met een duidelijk resultaat: in dit bedrijf verliepen de 100-tal dienstverplaatsingen naar Amsterdam, Londen en Parijs in 2022 steeds met de trein. Bij een van de bestudeerde bedrijven zonder beleid, schatten de onderzoekers in dat de invoer van een reisbeleid de CO2-uitstoot van de dienstreizen met ongeveer 80% kan reduceren.

Maar net dat reisbeleid ontbreekt vaak. Meer nog, een onverwachte conclusie van de studie is dat het gros van de aangeschreven bedrijven geen data over de zakenverplaatsingen bijhield, of deze niet wenst te delen. 

Business Travel Pioneers tonen de weg

Om aan deze bezorgdheden omtrent reisbeleid tegemoet te komen, richtte Bond Beter Leefmilieu de Business Travel Pioneers op. Deze groep voorlopers uit het bedrijfsleven en de academische wereld tonen aan dat duurzame zakenreizen haalbaar zijn, indien er actief beleid rond gevoerd wordt. Die nieuwe focus op een duurzamer reisbeleid is erg welkom, want het aandeel van zakenreizigers in de totale klimaatimpact van de luchtvaart is groot. Voor de pandemie reisde 28% van de passagiers op Brussels Airport voor zaken. Hun voetafdruk is een stuk groter dan die van de modale reiziger, aangezien velen premium vliegen. 

Bedrijven en organisaties botsen echter op belangrijke drempels bij het implementeren van een duurzaam reisbeleid. Zo loopt het boeken van treinverplaatsingen soms erg moeizaam, voldoet het internationaal treinaanbod niet altijd of zijn de passagiersrechten teleurstellend. Daarenboven blijven treinkaartjes vaak duurder dan vliegtuigtickets  en moedigen frequent flyer-beloningen, uitgedeeld als onderdeel van het loonpakket, verder luchtverkeer aan. Ten slotte zijn er nog veel vragen en onduidelijkheden over het gebruik van emissiefactoren en het monitoren van de impact van de zakenreizen. Het is aan het beleid om deze drempels weg te nemen en de huidige trend naar meer duurzaam reisgedrag te versterken en te verankeren.

Beleidsimpulsen dringend nodig

De grootste klimaatimpuls voor zakenreizen komt van overheden. En die komen ook stilaan in beweging. De Europese Unie zet stappen richting duurzaamheid met de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD). Deze richtlijn verplicht grote bedrijven en beursgenoteerde kmo's tot duurzaamheidsrapportage, met als overkoepelend doel bedrijfsmiddelen zo veel mogelijk richting duurzame investeringen te stuwen. In België moet de richtlijn tegen midden 2024 naar nationaal recht omgezet zijn. 

Hoewel de eerste rapportageverplichtingen pas gelden vanaf 1 januari 2025, is het van belang dat bedrijven zich nu al voorbereiden. Niet alleen toont dit een betrokkenheid bij duurzaamheid, maar het plaatst bedrijven ook in een concurrentieel voordeel in een markt die steeds meer waarde hecht aan duurzaamheid. Het onderzoek wees alvast uit dat mobiliteitsrapportages vaak weinig prioriteit krijgen bij bedrijven. Het is nu aan bedrijven om deze kansen te benutten en aan het beleid om hen de weg te wijzen naar duurzamere zakenreizen.