Milieublog

Home > Milieublog > november 2009

Milieublog archief: november 2009

Share

Vlaming produceerde vorig jaar tien kilo minder afval

thema’sAfval

26/11
2009

De Openbare Vlaamse Afvalstoffen Maatschappij (OVAM) heeft de afvalgegevens (de “inventaris”) van huishoudelijk afval van 2008 bekend gemaakt. Het resultaat: gemiddeld genereerde de Vlaming vorig jaar 545 kilo huishoudelijk afval. In 2007 was dat nog tien kilo meer. Goed nieuws dus, zelfs wanneer een flink deel van deze daling toe te schrijven is aan klimatologische redenen. Zo was het bijvoorbeeld geen goed “grasweer”,  zodat de hoeveelheid ingezameld groenafval met 4 kilo per inwoner daalde. Wanneer men dit cijfer in perspectief plaatst en vergelijkt met de resultaten van het laatste decennium, blijkt echter dat er een status quo is. In 1999 produceerde de Vlaming gemiddeld. 544 kilo afval per jaar. In de tussentijds periode steeg of daalde de jaarlijkse hoeveelheid afval telkens lichtjes. De totale hoeveelheid afval die een gemiddelde Vlaming jaarlijks genereert blijft grosso modo hangen rond de 550 kilo .  

Optimisten stellen dat gedurende die periode de economie sterk gegroeid is (tenminste gemeten in termen van het bruto nationaal product, dat zowel diensten als goederen omvat). Een stabiele afvalproductie in een groeiende economie wordt vertaald als een relatieve ontkoppeling van afvalproductie en economische groei. Deze relatieve ontkoppeling zou een stap moeten zijn naar absolute ontkoppeling. Absolute ontkoppeling betekent dat de afvalproductie per Vlaming jaarlijks daalt, ook in een groeiende economie. Een realist stelt vast dat dit de laatste tien jaar niet gebeurd is: de hoeveelheid afval blijft ongeveer stabiel, rond de 550 kilo per inwoner per jaar.

Duurzaam materialenbeheer, het opnieuw inzetten van afvalstoffen als volwaardige grondstoffen, mogen we hier niet uit het oog verliezen. De hoeveelheid aan materiaalstromen waar geen kringloop voor kan gesloten worden, is dus een meer relevante maatstaf. Met andere woorden, de hoeveelheid restafval die gestort of verbrand wordt, zelfs al waren die voordien selectief ingezameld. Wanneer we enkel de hoeveelheid restafval bekijken, zien we dat de resultaten blijven hangen rond 153 kilo per inwoner. Het aandeel restafval dat huis-aan-huis ingezameld werd, daalde dan weer lichtjes met één kilo per inwoner. Hier kan ongetwijfeld nog vooruitgang geboekt worden, zoals het rapport eveneens stelt.

Bijkomende initiatieven rond het inzamelen van kunststoffen kunnen nog een stap verder betekenen. Op dit moment wordt slechts een derde van kunststofverpakkingsafval ingezameld.

Toch wordt het steeds moeilijker om de hoeveelheid huishoudelijk afval  te doen dalen. Hoe langer hoe meer wordt duidelijk dat de oplossing gezocht moet worden bij de producten, niet bij het afval. Deze week nog was in de media het volgende bericht te lezen: 1 laptop op 3 binnen de drie jaar defect. Producten die slecht ontworpen zijn en snel de geest geven worden meer en meer de norm. Met dergelijke povere producten is het verlagen van de afvalberg dweilen met de kraan open. Er is nood aan een verregaande producentenverantwoordelijkheid waarbij het aandeel gesloten materiaalkringlopen als maatstaf dient. Op termijn is een dergelijke aanpak voordelig voor de producent, die zo minder dure primaire grondstoffen zal moeten aankopen. Ook de consument zal daar op zijn beurt  de vruchten van plukken. In een wereld van schaarsere en dus dure grondstoffen is dit een manier om prijzen betaalbaar te houden.

reacties1 reactie

aanpasdatum26 november 2009 | Kristof Debrabandere


Investeren in recycleren of verbranden

thema’sAfval

20/11
2009

Zoals reeds eerder aangegeven, dringt de beleidskeuze tussen meer verbranden of een duurzaam materialenbeheer zich op. Een teveel aan afvalverbrandingscapaciteit ondermijnt namelijk de recyclage industrie: afval dat verbrand wordt, kan niet nog eens gerecycleerd worden. Daarenboven wordt afvalverbranding gesubsidieerd door middel van betaling van groenestroomcertificaten, terwijl recyclage zelfbedruipend moet zijn.

Dit is geen theoretisch of politiek verhaal, maar een economische realiteit. Zo kennen wij alvast- een afvalverwerkend bedrijf dat onder andere bedrijfsafval, gelijkgesteld aan huishoudelijk afval, verregaand sorteert voor recyclage. Vertrekkende van de gemengde “restafval” stroom wordt nog minstens 35% voor recyclage gesorteerd. De restfractie na sorteren wordt nog steeds verbrand. Het proces is dus geen sluitende recyclagestap, maar het vermindert wel drastisch de nog te verbranden hoeveelheid afval. Het bedrijf wil bijkomende investeringen op het vlak van sorteertechnologie uitvoeren, om nog hogere sorteerpercentages te bekomen maar plaatste deze in de ijskast omwille van de marktverstorende verbrandingssubsidies en de beleidsonzekerheid rond bijkomende verbrandingscapaciteit. In een scenario van een dreigende overcapaciteit aan afvalverbranding zal afval door de lagere verbrandingsprijzen aangezogen worden door de ovens, en zo uit het recyclagecircuit verdwijnen.

De keuze van recycleren of verbranden komt zo wel heel dichtbij. Het kan echt niet dat er zowel een overcapaciteit aan afvalverbranding dreigt en dat verbranding daarenboven nog eens gesubsidieerd wordt. De minister en de OVAM moeten dringend   beslissen of duurzaam materialenbeheer enkel voor de theoretici is of indien dit ook werkelijk in de praktijk zal toegepast worden.

Tegen dergelijke achtergrond is het cruciaal dat de overheid ervoor zorgt dat er niet te veel afvalverbrandingsovens gebouwd worden.

reactiesreageer

aanpasdatum20 november 2009 | Kristof Debrabandere


Nultolerantie niet-toegelaten ggo’s voor de Europese markt

thema’sLandbouw

13/11
2009

De Europese Commissie heeft begin november haar toelating gegeven voor het op de markt brengen van drie genetisch gemodificeerde maïsrassen. Dat betekent dat de maïsvarianten de volgende tien jaar in voedingsmiddelen en diervoeders mogen worden verwerkt. De landbouwministers van de EU-lidstaten konden vorige maand geen gekwalificeerde meerderheid bereiken voor of tegen de toelating van de drie genetisch gemodificeerde gewassen (ggg’s) in kwestie. Daardoor kwam het dossier op de tafel van de Commissie terecht, die dus nu het licht op groen heeft gezet. Dit dossier toont nogmaals aan dat de meningen van de verschillende lidstaten over ggg’s vaak lijnrecht tegenover elkaar staan en dat de Commissie desondanks haar pro-ggg koers toch probeert verder te zetten.

Van Europees Commissaris voor landbouw Fischer Boel is al langer bekend dat ze de invoer van genetisch gemodificeerd veevoer wil vergemakkelijken. Ze zegt vast te stellen dat ‘steeds meer scheepsladingen met Amerikaans en Latijns-Amerikaans veevoer besmet blijken te zijn met ggg’s die in de EU niet zijn toegelaten’. Die vrachten worden dan geblokkeerd en terugg estuurd. Volgens Fischer Boel, en met haar vele industriële spelers, doet dit de prijs van het veevoer stijgen en zal Europa binnenkort met een tekort aan veevoer en uitgehongerd vee zitten. Fischer Boel wil aan dit ‘euvel’ verhelpen door ofwel de nultolerantie ten opzichte van in Europa niet-toegelaten ggg’s te versoepelen, ofwel de niet-toegelaten ggg’s toch toe te laten. Over de eerste optie woedt op dit moment de discussie binnen Europa, aangevuurd door exporterende landen zoals de VS en grote biotechbedrijven. De tweede optie werd nu toegepast voor de drie maïsrassen. Beide opties ondermijnen het voorzorgsprincipe dat de EU tot op heden hanteert ten opzichte van ggg’s en tonen aan dat handelsoverwegingen zwaarder wegen dan de bescherming van volksgezondheid en leefmilieu.           

Toch is er geen reden om met ggg besmet veevoer binnen te laten – veehouders hebben het recht vrij te kiezen of ze al dan niet ggg-vrij veevoeder wensen te gebruiken -, of om de toelatingsprocedure voor nieuwe ggg’s te versnellen en versoepelen. Uit een studie van het Directoraat-generaal Landbouw uit 2007 over de economische impact van niet-toegelaten ggg’s op de Europese veeteeltsector blijkt dat er zich voor maïs weinig of geen problemen stellen. De EU is grotendeels zelfvoorzienend en dus slechts in beperkte mate afhankelijk van de invoer van maïs. Gecontamineerde maïs kan bijgevolg vervangen worden door eigen maïsproductie, andere voederbronnen of invoer uit andere landen.

Voor soja is de EU niet zelfvoorzienend. Jaarlijks importeren we zo’n 34 miljoen ton soja. Het merendeel daarvan is afkomstig uit Argentinië en Brazilië, terwijl zo’n 7 % uit de VS komt. Gesteld dat alle Amerikaanse soja besmet zou zijn met gg-soja, dan zou dat dus geen onoverkomelijk probleem vormen voor de Europese veesector. Als alle soja uit zowel de VS, als Brazilië als Argentinië besmet zou zijn, dan zou Europa wel met een tekort aan voeder zitten voor haar (te) omvangrijke veestapel. Dat laatste is echter een zeer onwaarschijnlijk scenario, omdat zowel Argentinië als Brazilië bij de toelatingsprocedure voor ggg’s rekening houden met de Europese markteisen, om zo hun export naar Europa veilig te stellen. Europa is immers een belangrijke afnemer van de Braziliaanse en Argentijnse soja die zij niet zomaar kwijt willen.

Bovendien gebeurt het geregeld dat maïs, soja en andere gewassen gecontamineerd zijn met ggg’s die ook in het land van herkomst niet toegelaten zijn. Dat was onlangs nog het geval met een lading lijnzaad uit Canada. In deze gevallen zou het werkelijk absurd zijn het voorzorgsprincipe te verlaten en de besmette ladingen veevoer toch binnen te laten en te voederen aan het vee.

Wanneer wordt gezegd dat het strenge ggg-beleid van de EU ervoor zorgt dat de veevoederprijzen de hoogte in gaan, lijkt men een aantal zaken over het hoofd te zien. Verschillende studies wijzen uit dat de stijging van de voedsel- en voederprijzen enkele jaren geleden, te wijten was aan verschillende factoren. Een toegenomen vraag, misoogsten, de productie van biobrandstoffen en speculatie hebben wereldwijd geleid tot stijgende prijzen, niet enkel in de EU, maar zelfs ook in de VS. Daar zit het Europese ggg-beleid dus voor niets tussen.

Het versnellen – lees: versoepelen – van de toelatingsprocedure tenslotte is ook geen optie. En dat zegt niet alleen de milieubeweging. In december vorig jaar nog besloot de Europese Raad van Milieuministers dat een striktere risicoanalyse in de toelatingsprocedure nodig is. De langetermijneffecten op milieu, volksgezondheid en niet-doelorganismen moeten volgens de Raad uitvoeriger geanalyseerd worden. Bovendien loopt er op dit moment een onderzoek naar het opnemen van socio-economische factoren in de toelatingsprocedure. Zolang niet met zekerheid kan g esteld worden dat het telen en gebruiken van ggg’s geen enkel risico inhoudt op sociaal, gezondheids- en milieuvlak, op korte noch op lange termijn, is het simpelweg ongehoord de teelt van en handel in deze gewassen toe te laten.

Linn Dumez

reactiesreageer

aanpasdatum13 november 2009 | Linn Dumez